Toelichting examenvragen

In het examen toetsen we zowel je parate kennis, als je vaardigheid om kennis toe te passen en informatie op te zoeken. Daarom bevat het examen verschillende vraagsoorten.
We willen jou voldoende informatie geven om de vraag goed te kunnen beantwoorden. Daarom bevatten vragen soms veel tekst.
In 13 eindtermen wordt aangegeven vanuit welk perspectief de vragen worden gesteld. De onderliggende toetstermen geven specifiek aan wat er over een onderwerp of proces wordt getoetst.

Inhoudsopgave

Op deze pagina lichten we de vraagsoorten toe. Ook vind je informatie over correcte schrijfwijze, scoreberekening, gebruik cao en nog veel meer.  Inhoud:

  1. Verdeling examenvragen
  2. Vraagsoorten in het examen
  3. Correct antwoord bij een invulvraag, toch is antwoord fout gerekend
  4. Correcte schrijfwijze bij numerieke vragen
  5. Het examen versus oefenvragen op de website van SEU
  6. Gebruik van de cao bijlages
  7. Score berekening

1. Verdeling examenvragen

Kennisniveau
Per toetsterm is het bijbehorende kennisniveau aangegeven. De toepasbaarheid van kennis is belangrijk. Daarom is 70% van de vragen een toepassingsvraag. Naast toepassingsvragen stellen wij kennis- (15%) en begripsvragen (15%).

Sociale zekerheid
Voor het examen Uitzendprofessional en het examen Backofficeprofessional gaat 15% van de vragen over sociale zekerheid. Het toelichtingsdocument geeft onder andere meer inzicht in de diepgang en context van de vraagstelling, waaronder sociale zekerheid. Download op de pagina documenten het toelichtingsdocument Uitzendprofessional of Backofficeprofessional. 

Evenwichtige vraagstelling
Het examen is zodanig opgebouwd dat iedere toetsterm bevraagd wordt.

2. Vraagsoorten in het examen

3. Kennisvraag en toepassingsvraag

Regelmatig wordt ons gevraagd wat het verschil is tussen een kennis- en een toepassingsvraag in het SEU- examen. Om hier meer inzicht in te verschaffen hebben wij deze vraagvormen onderstaand gedefinieerd.

Kennisvraag:

Een kennisvraag is gericht op het onthouden en later kunnen reproduceren van feitelijke informatie. Het gaat om definities van begrippen (‘wat betekent Waadi?’), maar ook om specifieke kennis (‘bv. uit de CAO’).

De volgende handelingswerkwoorden kunnen worden gebruikt:

Toepassingsvraag:

Bij toepassingsvragen moet je (kennis en inzicht met betrekking tot) de leerstof in een bekende situatie gebruiken om een probleem op te lossen.
De volgende handelingswerkwoorden kunnen worden gebruikt:

4. Begripsvraag

De deelnemers is in staat om met eerder verworven kennis en inzichten wet-en regelgeving in eigen woorden te omschrijven, samen te vatten, uit te leggen of toe te lichten. De volgende handelingswerkwoorden kunnen worden gebruikt:

5. Correct antwoord bij een invulvraag, toch is antwoord fout gerekend

6. Correcte schrijfwijze bij numerieke vragen

7. Het examen versus oefenvragen op deze website

Op deze website vind je oefenvragen en antwoorden. Het doel van deze oefenvragen is jou een indruk geven van de vraagstelling en het soort vragen dat gesteld wordt. Het is mogelijk dat (nog) niet alle vraagvormen opgenomen zijn in de oefentoets.

8. Gebruik van de cao bijlages

Het kan voorkomen dat je een vraag krijgt waarvoor de cao geraadpleegd moet worden. Of opzoeken in de cao daadwerkelijk nodig is verschilt per persoon, omdat de parate (praktijk) en branche kennis van kandidaten onderling verschillend is.
Deze vragen sluiten beter aan bij de manier van informatie vergaren van de huidige generatie deelnemers. Er wordt minder een beroep gedaan op parate kennis, maar meer op de vaardigheid om informatie uit de cao correct te interpreteren en toe te passen.

Lees hier aanvullende info over raadplegen cao’s

9. Score berekening